Autoindustrie leert van bouw

Van voor de bok, op de bok. Met deze verplaatsing van paardenkracht is de auto-industrie geboren. De ambachtelijke wagenbouw veranderde in massaproductie, maar het principe is gelijk gebleven. Tot zover de geschiedenis van de auto.

De auto-industrie als voorbeeld dat de bouw moet volgen – een maar al te bekend verhaal. Een met een kern van waarheid en daaromheen veel ruis. Voorgangers in de bouw heffen het wijzende vingertje. Ze hopen op groeiend zondebesef met loutering, lees innovatie, tot gevolg.

De boodschap hakt stevig in op het zelfvertrouwen in de sector. Als autofabrikanten aannemers waren, zaten ze, is ongeveer de strekking, nog steeds te knutselen in de wagenwerkplaats. Gelukkig blijkt er nog een verhaal te vertellen. Ook in het kader van de kerstgedachte een welkome opsteker. De praktijk is voor een groot deel andersom. De auto-industrie heeft veel geleerd van de bouw en kan er nog wel meer van leren.

Hier de belangrijkste lessen:

1. Legolisering. Het beroemdste en meest simpele voorbeeld, waarbij meester en volgeling helaas worden omgedraaid. Één blik op het legospel maakt duidelijk: dit is niet geïnspireerd op de auto-industrie, maar op de bouw. Terwijl auto’s in de loop van de tijd steeds meer op elkaar zijn gaan lijken, maakt de bouwsector met een reeks standaardelementen van de toeleverende industrie de meest uiteenlopende objecten.

2. Energie. Het rendement van de ontploffingsmotor was laag, is laag en blijft laag. Als het leeuwendeel van de opgewekte energie uit warmte bestaat, kun je er beter een wkk-installatie van maken. Of toch maar niet. Moderne cv-ketels breken alweer nieuwe records. Zelfs 100 % rendement vindt de bouw niet genoeg meer. Met een warmtepomp gaat de prestatie nog een paar keer over de kop.

3. 3D-printen. Herkennen we hierin een doorontwikkeling van de principes van de betonbouw? Het lijkt erop.

4. Lokale productie. Een prominent doel van pleitbezorgers van een duurzame economie, samengevat in de slogan Think global, act local. Goed voor milieu, lokale werkgelegenheid en regionale pluriformiteit. Bouwbedrijven, ook de grote, opereren bij uitstek regionaal. Bouwen voor en door de regio’s, dat is het beeld. Ook grondstoffen komen bij voorkeur uit de buurt. Terwijl auto’s – en aansluitend hierbij de benodigde infrastructuur – overal ter wereld veelal hetzelfde ogen, blijven gebouwen onderscheidende kenmerken.

­
­

23 december 2015/cobouw.nl

 

 

Energieneutraal naar het winterstrand

Een wintercamping waar het altijd lekker weer is. Onder de antwoorden op energievraagstukken is dat een spectaculair concept*. Het ontkiemde in Zeeland waar campinghouders sidderen bij het idee van een slechte zomer omdat hun seizoen maar zes weken duurt.

Zeeland is niet het beoogde gebied om te beginnen. Dat is Brabant, een provincie rijk aan campings en vakantieparken. En oude fabrieken, waarvoor nieuwe bestemmingen nodig zijn. Het dak gaat van deze gebouwen af om plaats te maken voor een – vanzelfsprekend scherf- en splinterveilige – kasconstructie. Een geoliede samenwerking tussen de toeleveranciers, installateurs, bouwers en de beoogde gebruikers is de kern van het concept. Als team zorgen ze voor een enorme sprong voorwaarts op economisch-, technologisch- en procesgebied.

Zomer

De kampeerruimte blijft in het traditionele hoogseizoen leeg. Verder is het 46 weken per jaar zomer voor de gasten. Die komen niet terecht in een bedompte hal maar integendeel: in een ruimte die garant staat voor een haast perfect buitengevoel. Voorzien is onder meer in een ruime daglichttoetreding. En daarmee tegelijk in veel passieve energie. Verder is er een ingenieus systeem voor aanvullende verwarming met onder meer stralingspanelen en een uitgekiende luchtbehandeling. Warmte-koudeopslag en een houtpelletketel, die genoeg heeft aan snoeihout van het recreatieterrein, maken eveneens deel uit van het installatietechnische kunstwerkje.

Temperaturen zijn regelbaar afhankelijk van de doelgroep. Gegarandeerd 24 graden ’s middags? Kan. Een nachttemperatuur van 18 graden, 16 graden of desnoods 20 graden? Allemaal mogelijk. De gasten zitten er, energieneutraal, gegarandeerd warmpjes bij.

Virtual reality

De camping valt eenvoudig te koppelen aan bestaande recreatieparken, waar veel voorzieningen zijn zoals horecagelegenheden, zwembad, et cetera. Daarbovenop biedt de camping zijn vertier, waar vast niet alleen de eigen gasten voor zullen vallen. Zo is er een strand met uitzicht op de winterse velden maar zonder het winterse gevoel. Fascinerend zijn kamers die na een spreekwoordelijke druk op de knop niet meer op kamers zullen lijken. Met behulp van virtual reality valt een strandwandeling te maken die realistisch aandoet door 3D-projectie, nagebootst zonlicht en een zilte strandbries. De weersgesteldheid is naar keuze. Liever virtueel sightsee-en in bijvoorbeeld Amsterdam? Kan er ook.

Fabriekspanden

Karakteristieke historische fabriekspanden met ruime maten zijn de droomoptie. Niettemin, met wat fantasie – schilderkunst, bosschages eromheen – is van een moderne hal met golfplatengevel ook gerust iets passends te maken.

Benieuwd, wanneer het daadwerkelijk zover komt dat op deze wijze wintervakanties een hele nieuwe dimensie krijgen. Zelf vlieg ik komende week allesbehalve energieneutraal naar een ander werelddeel. De luchtvaartmaatschappij meldt op het ticket de CO2-voetafdruk, die geenszins gering blijkt. Gaat u bomen planten?, Is de vraag. Zeker. Zelf. Maar dat had natuurlijk ook in Brabant gekund.

*Voor de duidelijkheid: dit is geen uitgewerkt concept maar een gedachtenoefening ter verkenning van de mogelijkheden om nieuwe markten van de grond te krijgen door onorthodoxe samenwerkingsverbanden.

30 september 2015/cobouw.nl

Negatieve associaties bij beton

Dat beton het meest toegepaste bouwmateriaal is, mag enige verwondering wekken als we kijken welke associaties het oproept.

Vraag het betonmensen en ze prijzen enthousiast hun waar aan. Misschien kunnen ze eens nieuwe uitdrukkingen of spreekwoorden gaan bedenken waarin ook de heilzame werking van beton voor het voetlicht komt. Want wie die tot nu toe probeert te vinden, kan zoeken tot hij een ons weegt.

Negatieve associaties daarentegen, zijn er te over. Stort de maffia, volgens het cliché, zijn slachtoffers in beton? Of gaan die eventueel met een blok beton aan het been de plomp in? Zeker, en niet met een stuk natuursteen, lood of staal. Materialen die blijkbaar minder de gevoelens oproepen die nodig zijn voor het beoogde macabere beeld.
Overigens, lang voor de leeftijd waarop zware misdaad een denkbare keus wordt, heeft Jantje Beton het al slecht getroffen. Zijn naam zegt meer over de stedelijke ontwikkeling dan tien gemeentelijke rapporten: Jan wil je redden uit de omgeving waarnaar hij is genoemd. Tenzij je van beton bent natuurlijk, oftewel hard en gevoelloos.

Als het over voedsel gaat, hetzelfde laken een pak. Ligt het als beton op de maag, dan is het geen succes.

Met een baksteen in de maag daarentegen kun je gerust geboren zijn. Jaren kan hij er zelfs blijven, zonder enig probleem. Ooit bouw je er je eigen huis mee. Ben je ook uit het goede hout gesneden, dan zit het helemaal snor. Een loden last is minder fraai maar er valt mee te leven. Mannen van staal, die worden gewaardeerd. Een automerk dat gestaalde perfectie belooft, bedoelt: beter vind je niet. Als betonsector zou je jaloers worden op de positievere associaties die andere materialen oproepen.

De negatieve kijk op beton strekt verder dan zegswijzen waarin beton is gebruikt als metafoor voor iets anders. Denk alleen al aan wijken in grote steden (zie ook Jantje Beton) waarom zo vaak wat te doen is. Volgens verschillende beschrijvingen gaan die ernstig gebukt onder de letterlijke aanwezigheid van beton. Grootstedelijk wonen in appartementengebouwen met uitzicht, relatief ruim, licht en ook nog betaalbaar? Nee, grauw, troosteloos en kil, zijn woorden die klinken. Beton als zondebok. Een andere conclusie dringt zich op. Haat is maar al te vaak een substituut voor liefde. Mensen houden wel degelijk van beton.

Bart Mullink, verslaggever Economie bij Cobouw

04 februari 2015/cobouw.nl

Wat levert een architect wel?

Architectenbrancheorganisatie BNA heeft in het verleden geprobeerd aan te tonen dat een woning waaraan een architect te pas is gekomen meer waard is dan een woning waarbij dat niet is gebeurd. Dat viel nog niet mee.

De boodschap van de branche is dat een goed ontwerp voor een relatief klein bedrag een veel betere woning oplevert. Zoiets moet tot uitdrukking komen in de waarde maar dat kwam uit het onderzoek niet helder naar voren, gaven de BNA-voormannen Willem Hein Schenk en Fred Schoorl, enigszins bedremmeld, toe in een interview in Cobouw vorige week.

Andere factoren dan het ontwerp, zoals de locatie, bleken veelal zwaarder te wegen. Hebben we het over toegevoegde waarde, dan doelen we waarschijnlijk op de prijs. Maar beide gaan niet noodzakelijkerwijs gelijk op. Opvallende ontwerpen kunnen esthetisch waardevol zijn en tegelijk moeilijk te verkopen omdat ze voor potentiële gegadigden te uitgesproken zijn. Of neem een ontwerp dat functioneel vergaand is toegesneden op de wensen van een opdrachtgever. Deze zijn niet per se ook wensen van toekomstige kopers of huurders.

Hoewel mogelijk dus geen extra hoge prijs valt te verwachten in de toekomst, zullen opdrachtgevers in bovengenoemde gevallen tevreden zijn met de inzet van de architect. Tegelijk zijn er voorbeelden van woningen die mede dankzij een goed ontwerp tot op hoge leeftijd gewild blijven en voor flinke prijzen van de hand gaan. Denk aan jarendertigwoningen die zelfs zodanig goed in de markt liggen dat ontwikkelaars de stijl in nieuwbouw zijn gaan kopiëren en daardoor zowaar extra weten te vangen.

Bewijzen van effecten op de waardeontwikkeling zijn alleen al door het gevarieerde beeld van de praktijk moeilijk te leveren. Ook onderzoekstechnisch gesproken is het vrijwel ondoenlijk op dit gebied iets aan te tonen. Probeer maar eens een representatieve hoeveelheid van telkens twee vergelijkbare bouw- of verbouwprojecten te vinden en daarvan de waardeontwikkeling over een lange periode te meten. Waarbij uiteraard ook nog moet worden gecorrigeerd voor veel andere invloeden.

Zelfs conceptbouwers blijven niettemin architecten inschakelen om hun gestandaardiseerde productie projectgewijs door de aankleding een eigen uitstraling te geven. Dat gebeurt omdat ze daarvan de meerwaarde zien. Toch zit de schoonheid niet alleen in de details maar ook in de grote lijnen. De juiste verhoudingen. Op dat gebied valt evengoed nog veel te bereiken. Voor de prijs misschien en voor de waarde zeker.

08 juli 2015/cobouw.nl

Bouwende beleggers

Net nu iedereen het erover eens lijkt dat beleggers de huurwoningmarkt boven Jan moeten helpen, dreigen markt en politiek eendrachtig roet in het eten te gooien.

Een verdere hervorming van de woningmarkt lijkt voorlopig politiek onhaalbaar. Gevolg: de vrijesectorhuur legt het af tegen de gesubsidieerde sociale huur- en koopwoningenmarkt. Jammer, zullen politiek, corporaties, beleggers, bouwers en woningbehoevenden verzuchten. Een zucht geeft lucht. Helaas, meer niet.

De historisch lage hypotheekrente biedt een kans om de aftrekmogelijkheden relatief pijnloos verder in te perken, waardoor tegelijk geld vrij komt om ook voor de vrije huursector betere financiële arrangementen te organiseren. Maar dit is onhaalbaar, want in de politiek overheerst de wens tot prijsherstel. Huiseigenaren boven water krijgen lijkt het belangrijkste streven.

Overleven tijdens de crisis

De revival van de commerciële huursector is tijdens de crisis een opsteker geweest voor bouwers die hun markt voor koopwoningen zagen inzakken. Institutionele partijen zoals Amvest, Syntrus Achmea en Bouwinvest, hebben hun nieuwbouwproductie in een paar jaar tijd gemiddeld verdrievoudigd, en hielpen aannemers hiermee overleven.

Geld ligt klaar voor een nog flink hogere productie, maar stijgende koopprijzen gooien roet in het eten. Juist in grote steden als Amsterdam, waar beleggers het meest kunnen bouwen, stijgen de prijzen het hardst. Op koopwoningen valt hierdoor zowel voor gemeenten als projectontwikkelaars goed te verdienen. Gevolg: beleggers leggen het af in de strijd om geschikte bouwlocaties.

Hogere prijzen zorgen er bovendien voor dat het in veel gevallen aantrekkelijk is om bestaande huurwoningen te verkopen aan particulieren. Afstoten kan financieel gunstiger zijn dan blijven verhuren.

Geschiedenis herhaalt zich

Bouwen en daarnaast opkopen, is het recept van woningbeleggers. Honderdduizenden corporatiewoningen kunnen volgens brancheorganisatie IVBN bij een mutatie zo overgaan naar de vrije sector. Maar wat er aan de voorkant bij komt, kan er zoals gezegd aan de achterkant snel weer afgaan. Bijvoorbeeld doordat verkopen aantrekkelijker blijkt dan blijven verhuren. In de periode 2000-2010 liep de voorraad beleggershuurwoningen door verkoop aan particulieren met honderdduizenden terug. De geschiedenis kan zich, als de omstandigheden ernaar zijn, zomaar gaan herhalen.

Tot slot goed nieuws, zeker voor de bouwsector: de ambities van beleggers voor nieuwbouw blijven aanzienlijk. Hoe de productie van beleggerswoningen een flinke slinger valt te geven, wordt uitgebreid beschreven in de speciale zomereditie van Cobouw die 6 augustus verschijnt.

05-08-2015/cobouw.nl

Snel naar de particuliere belegger

Als volger van de woningmarkt prijs ik mij gelukkig dezer dagen weer eens te hebben geschreven over een groep die in Nederland veel te weinig bekend is. Spelers, die zelfs bij veel beleidsmakers niet of nauwelijks in beeld lijken. Maar waarmee niettemin wel het goed functioneren van de woningmarkt voor een belangrijk deel staat of valt. Particuliere vastgoedbeleggers, vertegenwoordigd door brancheorganisatie Vastgoed Belang, beheren in Nederland 460.000 woningen.

Het leeuwendeel is ondergebracht in het gereguleerde segment (dat wil zeggen met een huur tot maximaal 711 euro per maand). Het belang daarvan als aanvulling op dat van corporaties (en de 130.000 woningen van institutionele beleggers) valt niet te onderschatten. De particuliere sector heeft in principe voor iedereen te allen tijde een huurwoning tegen een passende prijs. Onmisbaar voor de woningzoekenden die niet passen in het toewijzingssysteem voor corporatiewoningen. Vanwege de geldende inkomenslimiet bijvoorbeeld.

Maar de inkomensgrens is vaak nog niet eens de grootste belemmering. Mensen met een inkomen dat in principe toegang biedt tot de sociale huursector, moeten evengoed kunnen verhuizen voor een nieuwe werkomgeving. De inschrijfduur als toewijzingscriterium evenwel, maakt het corporatieaanbod voor hen volkomen ongeschikt. Commerciële huurwoningen zijn daarom hard nodig in zowel het gereguleerde als het niet gereguleerde segment.

Gereguleerde commerciële huurwoningen zijn nogal eens in bezit van kleine beleggers, die bijvoorbeeld een winkel of woning op de begane grond voor zichzelf gebruiken en de etages erboven verhuren. Of anderszins een paar panden bezitten, bijvoorbeeld als pensioenvoorziening. Het zijn ook regelmatig soorten woningen die corporaties weinig aanbieden en die door hun doelgroep worden gewaardeerd. Dat valt althans op te maken uit veelvuldig gesignaleerde lange huurperiodes.

Een in de politiek van links tot rechts gewenste ontwikkeling is dat de particuliere woningverhuur in Nederland flink groeit. Alleen al om het niveau van circa 15 jaar geleden terug te krijgen, is een enorme uitbreiding nodig. Co Koning, directeur van Vastgoed Belang, hoopt voor de wat langere termijn op een particuliere sector (van zowel institutionele als particuliere beleggers) met een omvang van 800.000 woningen. “Dan doen we weer een beetje mee”, meent hij. Ten opzichte van omringende landen als Duitsland, Zwitserland, België en Frankrijk, is daarna nog steeds een lange weg te gaan, maakt de onderstaande grafiek snel duidelijk. Vooral voor het gereguleerde segment zijn de tekenen vooralsnog helaas juist zorgwekkend, aangezien beleggers eenstemmig verkondigen zich gedwongen te voelen dit te verlaten, als gevolg van het gevoerde overheidsbeleid.

04 september 2015/cobouw.nl

Waterbouwers op avontuur

Waterbouw spreekt tot de verbeelding. Tot het repertoire van de Nederlandse waterbouwers behoren spraakmakende werken. Zoals in Nederland bijvoorbeeld kustversterkingen. Denk aan de aanpak van de Hondsbossche en Pettemer Zeewering, en ingenieus uitgedachte rivierverruimingswerken. Ook internationaal is de sector toonaangevend. Een baan als betaald wereldreiziger ligt voor de liefhebbers binnen bereik.

De bestemmingen gaan van Europese landen tot verre oorden zoals de Bahama’s, Trinidad, Mexico, Thailand, Vietnam, Australië, Indonesië en Singapore. Nogal wat gebieden zitten ertussen die bekendstaan als toeristische droombestemming. Voor internationale waterbouwers kunnen reizen daarnaartoe zo gewoon zijn dat ze het weleens een nadeel vinden dat ze hiervoor – alweer – een paar weken van huis moeten.

Medewerkers hebben tijdens hun dienst weinig tijd voor het verkennen van de gastlanden en hun bevolking. Op de eerste plaats is het voor hen werken, werken en nog eens werken. Daarna volgen wekenlange periodes van vakantie, die arbeidsrechtelijk min of meer de status hebben van zeer lange weekenden. Dergelijke periodes kunnen in Nederland worden doorgebracht maar dat is niet noodzakelijk.

Zeker voor mensen met een gezin met jonge kinderen is een rechtstreeks ticket naar huis meestal favoriet. Er zijn baggeraars met zoveel thuisminnende medewerkers dat ze zich hierdoor gedwongen voelen hun buitenlandse activiteiten beperkter te houden dan gezien de potentiële vraag mogelijk is. Jongeren die voor de keus staan wat ze na hun studie gaan doen, willen voor het overgrote deel maar wat graag reizen. Normaal gesproken strekken de mogelijkheden zich uit van een vakantie in pakweg Benidorm tot, voor de geluksvogels, een lange wereldreis. Een voorliefde voor reizen blijkt trouwens niet leeftijdgebonden, ook tal van ouderen pakken gretig hun koffers zodra ze de kans krijgen.

Handig is het pas echt als je al bent waar de gewenste reis naartoe zou kunnen gaan. Dat kan. Na een paar weken baggeren in bijvoorbeeld Australië, Brazilië, of de Bahama’s is een prettige vakantie denkbaar in zulke landen of wellicht andere in de buurt.

Het vele reizen heeft sinds jaar en dag gevolgen in de relationele sfeer. Ooit had, volgens de verhalen, een zeeman in elk stadje zijn schatje. Ook in deze tijd blijkt de integratie met de lokale bevolking interessante verrassingen te kunnen opleveren. Cijfers zijn niet bekend maar dat er waterbouwers bestaan die erin slagen liefdevolle, nationaliteitsoverschrijdende contacten te leggen, staat vast. Een liefje voor de duur van een project komt voor maar ook huwelijken worden gesignaleerd. De periodieke gang naar huis hoeft dan niet meer vanzelfsprekend een reis naar Nederland te betekenen.

8 augustus 2014/cobouw.nl

Scheefwonen bestaat niet

De wens om mensen te verdrijven uit hun woningen omdat de huur lager is dan zij gezien hun inkomen kunnen betalen, is opmerkelijk.

Waarom zouden huurders straf verdienen, alleen omdat hun inkomen gestegen is? Net als elke consument, denken ook bewoners van corporatiewoningen dat zij altijd al een passende prijs hebben betaald voor hun huis.

Kritische reacties op de nieuwe ijver om zogeheten scheefwoners aan te pakken zijn zodoende begrijpelijk. De vruchten van iemands arbeid zijn diens eigen verdienste, niet die van de verhuurder. Daar wringt de schoen: de woningmarkt is zelf scheef. Maar huurders met een gestegen inkomen zijn daarvoor niet verantwoordelijk.

Weinigen zullen het veelverdieners kwalijk nemen als zij een kleine auto rijden, economy-class vliegen, aardappels prakken of een zeilkano verkiezen boven een driemaster. Mensen mogen zelf weten wat ze doen met hun geld. Behalve op de woningmarkt.

Huurders worden financieel benadeeld omdat ze geen hypotheekrente – een soort ‘huur’ die kopers aan de bank plegen te betalen – van de belasting kunnen aftrekken. En dan moet de huur voor eenzelfde huis ook nog eens variëren, afhankelijk van het inkomen van het moment. Een praktijk die je bij andere producten niet tegenkomt, ook niet als het gaat om eerste levensbehoeften.

Wie meer gaat verdienen, wil misschien een nieuw bankstel kopen, of andere zaken. Of geld apart zetten voor wanneer het financieel eens minder florissant gaat. Waarschijnlijk van alles liever dan forse bedragen stukslaan voor een opgedrongen verhuizing. Zeker als het verschil tussen de oude en de nieuwe woning vooral de maandelijkse huur is.

Flink wat scheefwoners blijken bovendien vanzelf binnen een paar jaar verdwenen. Zelfs zonder dat er een verhuizing aan te pas komt. Omdat iemands inkomen behalve stijgen ook kan dalen. Nu banen voor het leven verdwijnen en tijdelijk werk en flexibele contracten oprukken, is inkomensonzekerheid voor velen de realiteit. Pijnlijk daarom voor aangepakte scheefwoners dat de weg terug naar een betaalbare corporatiewoning nauwelijks is te begaan.

De oplossing die beleggers graag zien, is de betere corporatiewoningen liberaliseren. Dat kan nut hebben maar wellicht belangrijker is het vragen van een passende huur voor elke woning. In combinatie met een goede regeling voor huursubsidie, kan een belangrijk principe van de sociale huursector blijven bestaan: woonkwaliteit die toereikend is voor ieders persoonlijke omstandigheden los van het inkomen. Maar naast wat, ook in de ogen van huurders, redelijk is: prijzen naar geboden waar.

19 november 2015/cobouw.nl

 

Gekke Henkie in energiezaken

­

De turbulente ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie maken duidelijk dat afhankelijkheid van energie uit instabiele regio’s onverstandig is. De eindigheid van fossiele energiebronnen en de milieueffecten zijn argumenten voor een energietransitie.

Maar het strategische argument dat daarnaast klinkt, is ook geenszins nieuw. Nederland ondervond bijvoorbeeld ruim 40 jaar geleden de gevolgen van een Arabische olieboycot. Het wordt nooit meer zoals het was, voorzag de toenmalige premier. Energiebesparing kwam op gang. Met financieel voordeel (snelle terugverdientijden) als maatstaf voor haalbaarheid. Volgens sommigen kortzichtig geredeneerd want je krijgt zoveel meer dan een lagere rekening. Een beter milieu, toekomst voor de kinderen en meer vrede op aarde.

Hieraan een steentje bijdragen, doet menigeen graag. Men wil daarvoor dan graag beloond worden door het collectief. Niet – financieel – gestraft. Energiezuinigere huizen zijn te slijten als er netto financieel voordeel aan vast zit. Dat is een – kleine – vergoeding voor de positieve externe effecten. Mensen blijken vooral geen gekke Henkie te willen zijn. Zo voelen ze zich als ze op een houtje moeten bijten terwijl de spreekwoordelijke buurman zich nergens iets van aantrekt.

Dit zogenoemde gekke-Henkiedilemma speelt ook tussen landen. Als een gedeelte niet wil meewerken aan oplossingen, zullen andere wel gek zijn om zich op te offeren. Ze zouden met kostbare investeringen in energietransitie hun vraag naar fossiele brandstoffen terugschroeven waardoor de druk op de prijzen vermindert, ten voordele van concurrenten die niet meedoen.

Het is dus meer dan een eenzijdige interesse in eigenbelang die mensen ervan weerhoudt zich in te zetten voor het collectief. Zoals bijvoorbeeld door de portemonnee te trekken voor een energiezuinig huis. Een duurzame energievoorziening mag gerust wat kosten als iedereen een redelijke bijdrage levert. Los hiervan begint in de bouw het directe financiële voordeel voor de gebruiker momenteel ook al meer en meer een overtuigend argument te worden voor zelfs de meest energie-efficiënte huizen.

Energietransitie kan vaart krijgen maar, als het tegenzit, zijn eigen succes ook teniet doen. Een afgenomen vraag maakt fossiele brandstoffen relatief minder duur. Dat is nadelig voor de concurrentiekracht van alternatieven. Het gekke-Henkiedilemma blijft op de loer liggen.

Bart Mullink, redacteur Economie bij Cobouw

4 augustus 2014/cobouw.nl