Klimaatakkoord

‘Bouwlobby moet van de rem af’

 Bart Mullink

De bouw krijgt meer en meer door welke “gouden kansen” het Energie– en het Klimaatakkoord bieden, meent Leen van Dijke, voorzitter van Stroomversnelling. Voor de achterblijvers in de sector die op de rem blijven staan, ziet hij het somber in.

De belangrijkste brancheorganisaties hebben volgens Van Dijke nog steeds te weinig oog voor de potentie van de verduurzamingsopgave om werk te genereren. “De aandacht is er”, formuleert hij, “verdeeld en gaat telkens ook weer uit naar verloren discussies. Zoals het verzet tegen aanscherping van de epc. Met een beetje visie had iedereen al lang geleden kunnen zien dat die aanscherpingen juist een enorme kans zijn om te innoveren. En vervolgens te tonen dat je met gemak nog een heel eind voorbij de gestelde normen komt.”

Bouwvolume

De agenda van Stroomversnelling om op innovatieve wijze de gebouwde omgeving op termijn helemaal energieneutraal te maken, gaat volgens hem nu snel landen in de bouwsector. Dat merkt hij onder meer aan het groeiende aantal “aansprekende partijen” dat zich inschrijft als lid. “Als het geld dat in de gebouwde omgeving opgaat aan energie beschikbaar komt voor investeringen, krijg je er een enorm bouwvolume bij. Dat besef dringt nu snel door.”

Het gaat, rekent hij snel voor, om miljarden euro’s per jaar. “In principe is op jaarbasis 13 miljard euro beschikbaar; het bedrag dat nu nog wordt besteed aan gas en elektriciteit.”

Achterblijvers

Jammer vindt hij het dat de bouwlobby in plaats van gas bij te geven nog te vaak op de rem staat. “De makke van brancheorganisaties is dat ze niet zomaar innovatieve koplopers in de bouw in de schijnwerpers kunnen zetten. Organisaties voelen zich ook verplicht om de achterblijvers te bedienen. De bedrijven die blijven doen wat ze tien jaar geleden ook al deden. Ik zou me als brancheorganisatie niet zo druk maken om die achterblijvers en juist de koplopers faciliteren.”

Hij is ervan overtuigd dat de bouw hoe dan ook ingrijpend verandert. “Wie daarin niet mee gaat, zal het in de toekomst moeilijk krijgen.” Het is, zo is zijn overtuiging, meegaan of, uiteindelijk, verdwijnen. “De branchevereniging is te vaak de hoeder van de lantaarndrager in plaats van de facilitator van vernieuwing.”

Versnellen

Het zou wat hem betreft mooi zijn als “de bouwsector zou versnellen om doelen van het Energieakkoord in 2020 alsnog te halen”. Nu nul-op-de-meterrenovaties snel kunnen worden opgeschaald, is hiermee naar zijn stellige overtuiging de achterstand in andere sectoren in te lopen. De plaatsing van windmolens op land bijvoorbeeld verloopt moeizamer dan verwacht. “We kunnen in de bouw door een industriële aanpak in combinatie met de energieprestatievergoedingen snel meters maken. Veel te weinig bouwers oriënteren zich nog op deze agenda.

‘MKB kan ook koploper zijn op nieuwe markt’

Energie is de motor, duurzaamheid het resultaat

Vervolg interview Leen van Dijke

Grootschalige renovatie van bestaande bouw levert de komende jaren een gigantische nieuwe markt op, weet Leen van Dijke. De onvermijdelijke industriële aanpak zal de sector op zijn kop zetten, maar ook kleine bedrijven kunnen een belangrijke rol blijven vervullen, is zijn overtuiging.

 ++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Een misvatting noemt Leen van Dijke het: de gedachte dat de noodzakelijke vernieuwing van de sector van de grote bouwers moet komen. “Zeker, we zien nu een beweging bij de grote bouwers om echt te gaan industrialiseren. Dat juich ik toe. Maar het is niet zo dat kleinere bouwbedrijven in deze ontwikkeling geen rol kunnen spelen, of er minder geschikt voor zijn.”

Veel innovaties

Er zijn, verklaart hij stellig, zeer innovatieve kleine bouwbedrijven. “Als ik kijk naar de toekomst van de bouwsector, dan verwacht ik juist veel van het midden-, en zeker ook het kleinbedrijf. Omdat het mkb van oudsher veel dichter bij de woonconsument staat dan de grote bouwers. Ik zie er eveneens veel innovaties. Sommige kleine bedrijven zijn in staat om zomaar een grote bouwer voorbij te streven als het gaat om innovatiekracht.”

De vraag die rijst is of ze met die kracht een antwoord kunnen ontwikkelen op de industrialisering, en de daarbij behorende grootschalige productie. Daarover is Van Dijke opvallend optimistisch. “Natuurlijk: als een kleine bouwer alles helemaal zelf wil produceren, kan hij geen schaal maken. Maar je hoeft niet alles zelf te maken. Een bedrijf kan van de industrie een gereed product afnemen en dat plaatsen, onder gecertificeerde omstandigheden.”

Service

De sociale wetenschappen doen hun intrede in de bouw

Een belangrijke ontwikkeling waarin hij verder goede kansen ziet voor het mkb, speelt zich in de fase hierna af: “Kleine lokale bedrijven zijn bij uitstek geschikt om voor service te zorgen tijdens de gebruiksperiode, om de woonconsument op allerlei manieren te voorzien in diens behoeften.” Deels zullen deze behoeften bouwkundig of anderszins technisch van aard zijn. Bijvoorbeeld bij aanpassingen aan de woning in het kader van een zorgvraag. “Dat zal gepaard gaan met nieuwe vormen van techniek. “Zo ontstaan, bijvoorbeeld door domotica, mogelijkheden om nieuwe verbindingen te leggen tussen een woning en degene die zorg verleent.”

Technische expertise

Gauw blijkt het aan te komen op meer dan technische expertise. “Bedrijven krijgen een rol die, behalve op techniek, ook zal zijn gebaseerd op sociale betrokkenheid bij de bewoners of gebruikers van gebouwen. De sociale wetenschappen doen hun intrede in de bouw. Bedrijven moeten zich, net als verschillende andere industrieën zijn gaan doen, verdiepen in denkbare behoeften waarin valt te voorzien, en oplossingen aanreiken. Hierdoor ontstaan kansen om met nieuwe proposities, en vooral ook diensten, waarde toe te voegen.”

Bouwers zullen, denkt hij, verschillende rollen kunnen blijven kiezen. Eén optie biedt volgens hem nadrukkelijk geen perspectief: “Als je de agenda van de toekomst negeert en blijft hangen in de manier van werken die je tien jaar geleden ook al had, en dat zie ik nog best veel, ben je over een aantal jaren out of business.”

Aansluitend op het programma van het Energieakkoord moeten vanaf 2020 de nog veel ambitieuzere doelen van het Klimaatakkoord worden gerealiseerd. Om in 2050 een energieneutrale gebouwde omgeving te hebben, moet de komende decennia heel veel werk worden verzet. Naast circa 7 miljoen woningen strekt de opgave zich uit tot scholen (“Ook om het binnenklimaat een urgente opgave”), kantoren, zorgvastgoed, winkels en bedrijfspanden.

Energie, en dan vooral de energierekening, wordt de financiële motor. Maar het doel is duurzaamheid in de volle breedte, onderstreept Leen van Dijke. “Daarbij gaat het ook om wooncomfort en de aantrekkelijkheid van woningen, buurten en wijken op de langere termijn, inclusief bijvoorbeeld klimaatbestendigheid door duurzaam waterbeheer.”

Regelgeving

De stroomversnelling kan nu echt vaart krijgen

Subsidie zal over het algemeen niet nodig zijn, voert hij aan als nog een argument om vol voor deze opgave te gaan. “Ik ben over het algemeen niet zo voor subsidie. Te vaak zie ik dat dergelijke instrumenten zijn gericht op wat we van eergisteren kenden, in plaats van op oplossingen die de toekomst hebben. Ik zou eerder focussen op het anders aanwenden van bestaande geldstromen. ”

Regelgeving kan wel helpen, overweegt hij, maar het belangrijkste instrument om de realisatie vaart te geven, is wat hem betreft de energieprestatievergoeding (epv). “Nu hiervoor de weg is geëffend, kan Stroomversnelling volgens hem snel vaart krijgen. Voor een standaard rijtjeswoning komt het erop neer dat de huurder of eigenaar de gemiddelde energierekening van alles bij elkaar opgeteld 170 euro per maand inruilt voor een energieprestatievergoeding. Tegen gelijkblijvende of zelfs lagere woonlasten krijgt woonconsument dan behalve een energieneutrale ook nog een veel betere woning.”

Deze succesformule is binnen Stroomversnelling eerst uitgewerkt voor rijtjeshuizen uit de periode 1945 -1990. De reden is dat deze woningen seriematig zijn gebouwd waardoor er ook relatief eenvoudig industriële renovatieconcepten voor zijn te bedenken. “Daarvan staan er zoveel, hiermee kunnen we de eerste jaren flinke slagen maken.”

__________________________                                       _________________________

Aanpak van de toekomst

Monument zal niet met industrieel concept te renoveren zijn

In totaal vijf miljoen woningen zijn, schat hij, op termijn te renoveren volgens de nul-op-de-meterformule. Dat wil zeggen met een industriële aanpak en woonlastenneutraal door de energieprestatievergoeding. “Laten we met de makkelijkste woningen beginnen. De moeilijkere woningtypen komen dan later aan de beurt. Denk aan hoogbouw met meer dan vier à vijf woonlagen en zeker ook de allemoeilijkste categorieën zoals monumenten en oudere herenhuizen. De gegroeide kennis en ervaring zal daarbij van pas komen.”

Duidelijk is volgens hem wel dat een monument niet in zijn geheel met een industrieel concept te renoveren zal zijn. “Wel zullen er in de loop van de jaren steeds meer industrieel vervaardigde renovatie-elementen komen die ook goed zijn toe te passen in monumentale gebouwen. Een aantrekkelijk kenmerk hierbij van de industriële aanpak is bovendien dat je zonder noemenswaardige meerkosten allerlei variaties kunt maken.”

Efficiëntere stap

Net als bouwers zullen opdrachtgevers in zijn ogen de aanpak van de toekomst moeten omarmen. De praktijk waarbij corporaties en ook veel particulieren mikken op renovaties met hooguit een paar labelstappen, maakt wat hem betreft plaats voor één in alle opzichten veel efficiëntere ultieme stap. Een die gelijk voldoet voor minimaal de eerstkomende 40 jaar. Aan huurders en eigenaren zal het naar zijn verwachting niet liggen. “Als er maar aantrekkelijke proposities komen. De gerealiseerde voorbeelden blijken mensen ook sterk te overtuigen.”

Cobouw, 18-01-2016